ECLI:NL:RVS:2019:2513
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen niet-inbehandelingname verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam het besluit om een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling, mede namens haar minderjarige kind, stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep kennelijk gegrond is en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling toetste het besluit van de staatssecretaris aan de ingebrachte beroepsgronden.
De vreemdeling stelde dat zij in Italië problemen had ondervonden en geen adequate medische behandeling zou krijgen, waardoor de staatssecretaris haar aanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling zich tot de bevoegde autoriteiten in Italië kan wenden en dat onvoldoende is gesteld dat medische behandeling niet mogelijk is.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op dit standpunt heeft gesteld en dat de beroepsgrond faalt. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het niet-in behandeling nemen van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.