AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling tijdens hoger beroep
De staatssecretaris heeft op 22 mei 2017 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, een inreisverbod opgelegd en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij wordt uitgezet zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep is aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en dat het belang van de vreemdeling aanleiding geeft om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist, maar zag geen aanleiding voor een verdergaande voorziening. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00 die de vreemdeling heeft gemaakt voor rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.
Uitspraak
201800692/2/V1.
Datum uitspraak: 29 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 december 2017 in zaak nr. 17/15731 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat de vreemdeling de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 mei 2017 worden geschorst en de vreemdeling gedurende het hoger beroep moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Daarnaast strekt het verzoek ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.
2. Het hoger beroep is aangehouden in verband met prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1738, heeft gesteld aan het Hof van Justitie. Gelet hierop en op de belangen die de vreemdeling naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding in zoverre een voorlopige voorziening te treffen, dat wordt bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Voor een verderstrekkende voorziening ziet de voorzieningenrechter, gelet op de onvoorziene gevolgen daarvan, geen aanleiding.
3. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.