ECLI:NL:RBDHA:2022:16247
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ernstige strafbare feiten
Verzoeker, met Turkse nationaliteit en sinds 1981 in Nederland verblijvend, kreeg in 1993 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Deze vergunning werd in 2020 ingetrokken vanwege meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder geweld en drugsdelicten. Tevens werd een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Verzoeker verbleef sinds oktober 2020 in Turkije en stelde beroep in tegen het besluit. De beroepsprocedure werd aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Verzoeker vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening zodat hij in afwachting van de beroepsuitspraak als houder van een verblijfsvergunning behandeld zou worden en naar Nederland mocht terugkeren. Hij stelde dat de langdurige onzekerheid zijn geestelijk welzijn en dat van zijn gezin schaadde, en dat zijn dochter met een beperking extra zorg nodig had.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een inhoudelijke beoordeling van de intrekking en het inreisverbod niet passend is in een voorlopige voorziening, mede vanwege lopende prejudiciële vragen. Bij belangenafweging woog het zwaarwegende belang van de staat bij handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoeker en zijn gezin.
De rechter nam mee dat verzoeker onherroepelijk veroordeeld is voor ernstige misdrijven, waaronder gepleegd tijdens een proeftijd en na kennisgeving van intrekking. Dit ondermijnt de verwachting dat hij zich aan de wet zal houden bij terugkeer. Ook werd meegewogen dat het gezin van verzoeker inmiddels gewend is aan zijn afwezigheid, dat zijn dochters meerderjarig zijn en dat passende zorg voor zijn dochter wordt geboden. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoeker.