ECLI:NL:RVS:2019:2719
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging relevante feiten bij naturalisatie
Appellante diende in 2008 een verzoek in tot verlening van het Nederlanderschap, terwijl zij relevante feiten verzweeg, namelijk dat zij kinderen had van een andere man dan haar partner, met wie zij een verblijfsvergunning had. De staatssecretaris trok daarop in 2017 haar Nederlanderschap in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in overeenstemming met artikel 7 van Pro het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN) moet worden uitgelegd, waarbij het verzwegen feit aan appellante is toe te schrijven indien zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het relevant was voor de beoordeling van haar naturalisatieverzoek. De Raad verwierp het betoog van appellante dat opzet vereist is.
Verder oordeelde de Raad dat de staatssecretaris terecht aannam dat de relatie tussen appellante en haar partner niet duurzaam en exclusief was, mede gelet op de geboorte van kinderen met een andere man en het ontbreken van melding daarvan. Ook de evenredigheidsbeoordeling van de staatssecretaris, waarbij het belang van het behoud van het Nederlanderschap werd afgewogen tegen het belang van de staat, werd als deugdelijk beoordeeld.
De Raad van State bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellante wegens verzwijging van relevante feiten wordt bevestigd.