ECLI:NL:RVS:2019:278
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit staatssecretaris over verblijfsvergunning regulier wegens onjuiste rechtsgrondslag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die op 22 september 2016 werd afgewezen door de staatssecretaris. Na bezwaar en een nieuw besluit op bezwaar bleef de aanvraag afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 26 april 2017 ongegrond en tegen het besluit van 20 juli 2017 gegrond, waarbij het laatste besluit werd vernietigd.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen het ongegrond verklaren van het beroep tegen het besluit van 26 april 2017. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Chavez-Vilchez niet had betrokken bij de toetsing van het besluit van 26 april 2017. Dit arrest geeft een uitleg aan artikel 20 van Pro het VWEU die ook op dat moment al van toepassing was.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 26 april 2017 omdat de staatssecretaris geen standpunt had ingenomen over de betekenis van artikel 20 VWEU Pro volgens het arrest Chavez-Vilchez. Het latere besluit van 23 maart 2018, waarin de staatssecretaris dit standpunt wel innam, werd geacht onderdeel van het geding te zijn en werd niet vernietigd. De overige beroepsgronden, waaronder die over artikel 8 EVRM Pro en de ingangsdatum van het verblijf, werden niet-ontvankelijk verklaard of faalden.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ad €512,00. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 januari 2019.
Uitkomst: Het besluit van 26 april 2017 wordt vernietigd wegens het niet betrekken van het arrest Chavez-Vilchez, het latere besluit van 23 maart 2018 blijft gehandhaafd.