Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 17 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat Duitsland internationale bescherming heeft verleend aan eiser.
Overwegingen
kanworden verklaard in de zin van artikel 33 van Pro de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Dit betekent dus dat er geen Unierechtelijke of nationaalrechtelijke
verplichtingvoor verweerder bestaat om eiser op te dragen om naar Duitsland te gaan om zijn rechten als statushouder te effectueren en hem – als gevolg van die beslissing- daarmee het ten volle uitoefenen van zijn gezinsleven in Nederland te onthouden. Verweerder heeft daartoe -wellicht en in beginsel- een bevoegdheid. Dit brengt echter ook mee dat verweerder genoegzaam -en kenbaar- moet motiveren waarom hij gelet op de concrete omstandigheden die door eiser zijn aangedragen van deze bevoegdheid gebruik maakt. Het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag van een statushouder mag dus geen automatisme zijn omdat óók deze beslissingen waarbij de vraag om bescherming niet inhoudelijk wordt beoordeeld van verweerder maatwerk vereisen.
2. In deze context is onder meer de – volgens mij nog niet eerder beantwoorde – vraag aan de orde of het grondrecht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, zoals verankerd in artikel 7 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in samenhang met de in 24, lid 2, ervan geformuleerde verplichting om de belangen van het kind in aanmerking te nemen, eraan in de weg kan staan dat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU vervatte regeling voor het niet-ontvankelijk verklaren van verzoeken om internationale bescherming wordt toegepast.
(…)
16. (…)Blijkens de formulering van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 heeft de Uniewetgever de lidstaten niet willen voorschrijven dat zij in hun respectieve recht de verplichting voor de bevoegde autoriteiten opnemen om de ontvankelijkheid van verzoeken om internationale bescherming te onderzoeken, of bepalen dat een verzoek zonder voorafgaand inhoudelijk onderzoek wordt afgewezen indien een van de in deze bepaling vermelde niet-ontvankelijkheidsgronden zich voordoet.
(…)
27. Uit deze rechtspraak komt naar voren dat het op het beginsel van wederzijds vertrouwen steunende vermoeden dat de grondrechten in acht zijn genomen, weerlegbaar is en dat het Hof ter beantwoording van de daarover door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen weliswaar een uitzondering op de toepassing van de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 vervatte niet-ontvankelijkheidsregeling heeft aanvaard in gevallen waarin sprake is van een schending van de artikelen 1 en 4 van het Handvest, doch dat de premisse waarop de redenering van het Hof stoelt, zich uitstrekt tot alle grondrechten, met inbegrip van artikel 7 betreffende Pro de bescherming van het gezinsleven, artikel 24, lid 2, betreffende de verplichting om rekening te houden met de belangen van het kind en artikel 18 van Pro het Handvest.
(…)
28. In het kader van het onderhavige prejudiciële geding is de vraag aan de orde of het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek om internationale bescherming in de omstandigheden van het hoofdgeding schending van de grondrechten van de verzoeker oplevert.
29. Vast staat dat de invoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel strookt met de wil van de Uniewetgever om te waarborgen dat de grondrechten van personen die om internationale bescherming verzoeken, zoals die voortvloeien uit het Verdrag van Genève, het Handvest en het EVRM, en met name het recht op eerbiediging van het gezinsleven, worden geëerbiedigd.
(…)
31 (…) Hoewel de bescherming van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 7 van Pro het Handvest niet als een van de hoofddoelstellingen van deze richtlijn wordt genoemd, wil ik erop wijzen dat het vaste rechtspraak is dat dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting om rekening te houden met de in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belangen van het kind en in aanmerking te nemen dat, overeenkomstig lid 3 van deze bepaling, een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders moet kunnen onderhouden.
32. In overweging 33 van richtlijn 2013/32 is duidelijk verwoord dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten dient te zijn overeenkomstig het Handvest en het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989), hetgeen heeft geresulteerd in een uitdrukkelijke en algemene verplichting in artikel 25, lid 6, van deze richtlijn. Bij het beoordelen van het belang van het kind dienen de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met inbegrip van diens achtergrond, terdege in aanmerking te nemen. De bepalingen van richtlijn 2013/32 kunnen dus niet worden uitgelegd op een wijze die strijdig is met het grondrecht van een kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn ouders te onderhouden, waarvan de eerbiediging onbetwistbaar in het belang van het kind is. Ik herinner eraan dat de lidstaten niet alleen hun nationale recht conform het Unierecht moeten uitleggen, maar er ook op moeten toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een tekst van afgeleid recht die in conflict zou komen met de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten.
(…)
34. Tegen die achtergrond moet worden geoordeeld dat indien de persoon die om internationale bescherming verzoekt, in geval van overbrenging naar de lidstaat die hem aanvankelijk de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming heeft toegekend, een ernstig risico zou lopen om aan een behandeling te worden blootgesteld die in strijd is met artikel 7 van Pro het Handvest, gelezen in samenhang met de artikelen 18 en 24 ervan, de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend niet de mogelijkheid zou moeten hebben om dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Deze situatie vertoont naar mijn mening het uitzonderlijke karakter dat volgens de rechtspraak van het Hof vereist is om het uit het beginsel van wederzijds vertrouwen voortvloeiende vermoeden te weerleggen.
35. Om te bepalen of er sprake is van een ernstig risico op schending van dit grondrecht op eerbiediging van het gezinsleven, beoordeeld in samenhang met de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, moeten twee elementen in aanmerking worden genomen: de juridische status van de persoon die om internationale bescherming verzoekt in de lidstaat waar hij verblijft met het gezinslid dat deze bescherming geniet, en de aard van de relatie tussen de betrokkene en dit gezinslid.
55. Van belang is dat de in artikel 7 van Pro het Handvest gewaarborgde rechten, blijkens de toelichting bij het Handvest en overeenkomstig artikel 52, lid 3, ervan, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de in artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde rechten, zoals deze worden uitgelegd in de rechtspraak van het EHRM. In zaken waar het gezinsleven en immigratie samen centraal staan, maakt het EHRM een afweging van de in geding zijnde belangen, te weten het persoonlijk belang van de betrokkenen om op een bepaald grondgebied een gezinsleven te leiden en het algemeen belang dat de staat nastreeft, te weten toezicht op immigratie. Het EHRM is van oordeel dat wanneer er kinderen in het spel zijn, hun belangen in aanmerking moeten worden genomen. Met betrekking tot dit specifieke punt herinnert het EHRM eraan dat het gedachtegoed dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen de eerste overweging dienen te vormen, op een brede consensus kan rekenen in onder meer het internationale recht. Hoewel die belangen op zich niet doorslaggevend kunnen zijn, moet daaraan niettemin een aanzienlijk gewicht worden toegekend. In zaken over gezinshereniging besteedt het EHRM dan ook speciale aandacht aan de situatie van de betrokken minderjarigen, met name aan hun leeftijd, hun omstandigheden in het betrokken land of de betrokken landen en de mate waarin zij afhankelijk zijn van hun ouders.
(…)
65. In de tweede plaats benadrukken alle deelnemers aan de procedure in wezen dat het verzoek van verzoeker in het hoofdgeding strekt tot gezinshereniging of uitsluitend met het oog daarop is ingediend, aangezien de betrokkene niet wordt gedreven door een behoefte aan internationale bescherming, waaraan reeds is voldaan in Oostenrijk. Zijn verzoek om internationale bescherming is dus niet echt een verzoek om internationale bescherming en kan, gelet op de bewoordingen, de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2011/95, niet leiden tot toekenning van een bij die bescherming behorende status. Naar mijn mening moet hier een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het rechtsinstrument zelf, te weten het verzoek om internationale bescherming, en anderzijds de strekking van de argumenten en bewijsstukken die ter onderbouwing ervan zijn aangevoerd c.q. overgelegd en de eventuele onderliggende drijfveren van de persoon die om internationale bescherming verzoekt.
(…)
71. In het licht van de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de Raad van State het volgende antwoord te geven:
24 Uit de bewoordingen van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 volgt dus dat de lidstaten niet verplicht zijn om na te gaan of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95 wanneer een dergelijke bescherming reeds in een andere lidstaat is gewaarborgd.
25 Deze uitlegging beantwoordt bovendien aan het doel van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, dat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, erin bestaat om de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, te verlichten door te omschrijven in welke gevallen een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt geacht [arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C564/18, EU:C:2020:218, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26 De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of er eventueel uitzonderingen zijn op de krachtens deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid om niet na te gaan of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, welke uitzonderingen in wezen zouden kunnen worden gerechtvaardigd door het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de noodzaak om rekening te houden met de belangen van het kind, zoals verankerd in respectievelijk artikel 7 en Pro artikel 24, lid 2, van het Handvest.
(…)
30 Toch kan niet worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, waardoor een ernstig risico ontstaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C297/17, C318/17, C319/17 en C438/17, EU:C:2019:219, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Uit de punten 29 en 30 van het onderhavige arrest volgt dat de autoriteiten van een lidstaat de hun bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid niet kunnen uitoefenen wanneer zij – op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten – tot de conclusie zijn gekomen dat er in de lidstaat waar de derdelander reeds internationale bescherming geniet sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen personen raken, en dat er, gelet op deze tekortkomingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat deze derdelander een reëel gevaar zal lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest (zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C163/17, EU:C:2019:218, punten 8590, en 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C297/17, C318/17, C319/17 en C438/17, EU:C:2019:219, punt 92).
(…)
35 In de tweede plaats moet evenwel worden bepaald of artikel 7 en Pro artikel 24, lid 2, van het Handvest eraan in de weg staan dat in de in punt 22 van het onderhavige arrest beschreven omstandigheden gebruik wordt gemaakt van de bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aan een lidstaat geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming nietontvankelijk te verklaren op grond dat die bescherming reeds aan de verzoeker is toegekend door een andere lidstaat.
36 De schending van een bepaling van Unierecht waarbij de begunstigden van internationale bescherming een materieel recht wordt toegekend, die niet leidt tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest, belet de lidstaten niet – zelfs gesteld dat eerstbedoelde schending is aangetoond – om gebruik te maken van de bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C297/17, C318/17, C319/17 en C438/17, EU:C:2019:219, punt 92). Anders dan de in artikel 4 van Pro het Handvest verankerde bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling, hebben de door de artikelen 7 en 24 van het Handvest gewaarborgde rechten geen absoluut karakter en kunnen zij dus worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
(…)
44 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 7 en Pro artikel 24, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat gebruikmaakt van de door deze bepaling geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat de vluchtelingenstatus reeds door een andere lidstaat aan de verzoeker is toegekend, wanneer die verzoeker de vader is van een niet-begeleid minderjarig kind dat in eerstgenoemde lidstaat subsidiaire bescherming geniet, zulks evenwel onverminderd de toepassing van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95.
in de weg staan aanhet gebruik maken van de bevoegdheid en niet
op welke wijzeartikel 7 Handvest Pro en artikel 24, lid 2, Handvest betrokken dienen te worden bij de beslissing of al dan niet gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid die artikel 33, lid 2, Procedurerichtlijn de lidstaten biedt. Het Hof heeft slechts uitgelegd dat artikel 7 Handvest Pro en artikel 24, lid 2, Handvest niet absoluut in de weg staan aan het gebruik maken van de bevoegdheid om vanwege een door een andere lidstaat verleende status de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof heeft met deze uitleg echter niet bepaald dat deze grondrechten buiten beschouwing mogen worden gelaten. Ten aanzien van het belang van het kind heeft bovendien te gelden dat dit steeds een eerste overweging dient te zijn.
dusredelijk is om eiser op te dragen om naar Duitsland te gaan.
hoeftaf te zien van niet-ontvankelijk verklaring. Verweerder heeft echter geen enkele overweging gewijd aan
waaromhij gelet op de concreet aangedragen feiten en omstandigheden ook gebruik maakt van deze bevoegdheid, terwijl hij bovendien ook “gewoon” steeds bevoegd is om verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro toe te staan en de door Duitsland verleende status niet “tegen te werpen”. De rechtbank overweegt tevens dat verweerder niet -kenbaar- heeft beoordeeld of het besluit in overeenstemming is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De rechtbank wijst in dit kader tevens op de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een hoogte van € 1.897,50.