ECLI:NL:RVS:2019:2970
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen
De staatssecretaris verklaarde op 9 april 2018 de opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat geen nieuwe elementen waren aangevoerd. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het rechtmatig verblijf van meer dan twee jaar in Nederland een nieuw element vormde, waardoor Nederland verantwoordelijk zou zijn voor het afgeven van een vluchtelingenpaspoort en de vreemdeling recht zou hebben op een asielvergunning.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de vreemdeling niet de status van langdurig ingezetene bezit en dat de beoordeling over de verantwoordelijkheid voor het vluchtelingenpaspoort niet in deze procedure thuishoort. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte vooruitliep op de vraag of Nederland verantwoordelijk is voor het afgeven van het vluchtelingenpaspoort en dat deze beoordeling aan de burgemeester toekomt in een aparte procedure.
Verder faalde het beroep van de vreemdeling dat terugkeer naar Italië onaanvaardbaar zou zijn, omdat de omstandigheden aldaar niet zodanig zijn dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.