Uitspraak
Datum uitspraak: 18 september 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Voorzitter griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zutphen had besloten om gezonken schepen in de Marshaven op te ruimen. [Wederpartij] betwistte de bevoegdheid van het college op grond van de Wrakkenwet. De rechtbank oordeelde dat het college niet bevoegd was omdat het waterbeheer in de Marshaven bij Rijkswaterstaat berust, conform de Waterwet en de Scheepvaartverkeerswet.
Het college voerde aan dat het achterste deel van de Marshaven geen scheepvaartweg is en dat het college wel degelijk de beheerder is, mede op basis van verklaringen van Rijkswaterstaat en de Waterregeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat voor de uitleg van de term beheerder moet worden aangesloten bij de Waterwet, die gericht is op waterkwaliteit, waterkwantiteit en maatschappelijke functies van watersystemen.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het college niet de beheerder is en daarom niet bevoegd was tot opruiming. Het hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Zutphen was niet bevoegd tot opruiming van de gezonken schepen in de Marshaven; het hoger beroep werd ongegrond verklaard.