ECLI:NL:RVS:2019:3670
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondheid beroep tegen niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris bij besluit van 13 maart 2018 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de staatssecretaris geen standpunt had ingenomen over een verslag van de Dienst Terugkeer en Vertrek. De staatssecretaris nam vervolgens een nieuw besluit van 8 augustus 2018, opnieuw niet-ontvankelijk.
De vreemdeling voerde aan dat hij met nieuwe documenten zijn asielrelaas kon staven, waaronder een geboorteverklaring, een opsporingsbevel en een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek. De rechtbank oordeelde echter dat deze documenten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en stelt dat het hoger beroep geen vragen bevat die voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moeten worden.
De staatssecretaris stelde dat niet aannemelijk is dat de informatie die de vreemdeling tijdens zijn presentatie aan het ambassadekantoor gaf, bij de autoriteiten in de DRC bekend is of dat hij daardoor een reëel risico op ernstige schade loopt. De Afdeling oordeelt dat een ambassade de autoriteiten vertegenwoordigt, maar stelt vast dat het algemeen ambtsbericht inzake de DRC en andere rapporten geen aanwijzingen geven dat de vreemdeling als politiek opposant wordt beschouwd of risico loopt op ernstige schade.
De Afdeling verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2018 ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit van 8 augustus 2018 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.