ECLI:NL:RVS:2019:3844
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring Omtrent het Gedrag na veroordeling voor zedendelict
Appellant verzocht om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als vrijwilliger te kunnen starten met een trainersopleiding bij een voetbalvereniging. De minister weigerde de aanvraag op grond van een veroordeling uit 2012 voor een zedendelict waarbij appellant misbruik maakte van de verminderd bewustzijn van het slachtoffer. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het zedendelict te zwaar was gekwalificeerd, dat het leeftijdsverschil klein was, dat het slachtoffer instemde en dat het tijdsverloop en zijn positieve ontwikkeling in zijn voordeel pleitten. De minister paste het verscherpte toetsingskader toe, waarbij slechts in uitzonderlijke gevallen een VOG kan worden verleend na een zedendelict.
De Afdeling oordeelde dat de minister terecht het belang van de samenleving en kwetsbare groepen zwaarder heeft gewogen dan het belang van appellant. De strafrechter had de veroordeling zwaar aangerekend vanwege misbruik van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Het tijdsverloop was onvoldoende om de weigering evident disproportioneel te achten. Ook het economische belang van appellant bij de vrijwilligersfunctie woog niet zwaar genoeg. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de VOG vanwege een eerdere veroordeling voor een zedendelict en het zwaarder wegen van het belang van de samenleving.