ECLI:NL:RVS:2019:407
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A.W.M. Bijloos
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en correctie dwangsommen bij Wob-verzoeken tegen Belastingdienst
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de Belastingdienst inzake de behandeling van meerdere Wob-verzoeken uit 2014. De Belastingdienst had een groot deel van deze verzoeken afgewezen of buiten behandeling gesteld wegens vermeend misbruik van recht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk, maar de Afdeling vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat er geen sprake was van misbruik.
Vervolgens stelde de rechtbank vast dat de Belastingdienst dwangsommen verschuldigd was wegens het niet tijdig beslissen op de Wob-verzoeken, maar berekende deze dwangsommen onjuist en stelde een bedrag van €1.400,00 vast. Appellant betwistte onder meer de berekening van de termijnen en de datum van ontvangst van verzoeken.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat ook besluiten waarbij verzoeken werden afgewezen of buiten behandeling gesteld als beslissingen op aanvraag gelden voor de berekening van dwangsommen. Wel stelde de Afdeling vast dat de rechtbank bij de berekening van de termijnen telkens een dag te kort had gerekend, waardoor het totaalbedrag aan dwangsommen moest worden verhoogd naar €1.560,00.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het lagere bedrag toekende, bevestigde de rest van de uitspraak en verklaarde het beroep tegen het besluit van 4 mei 2018 ongegrond. Tevens veroordeelde zij de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Afdeling stelt de dwangsommen vast op €1.560,00 en verklaart het beroep tegen het besluit van 4 mei 2018 ongegrond.