ECLI:NL:RVS:2021:1091
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P.M. van Ravels
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige Wob-besluiten Belastingdienst
Appellant, voormalig medewerker van de Belastingdienst, werd in 2013 veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens strafbare feiten. Na zijn ontslag diende hij 56 verzoeken in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om informatie te verkrijgen voor zijn strafrechtelijke verdediging. De Belastingdienst wees de meeste verzoeken af wegens vermeend misbruik van recht, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in 2017 dat er geen sprake was van misbruik.
Appellant verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens immateriële schade en gemaakte proceskosten, welke door de staatssecretaris werden afgewezen. De rechtbank verklaarde zich niet bevoegd en wees het verzoek af omdat het niet tijdig tijdens de beroepsprocedure was ingediend. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de toepasselijkheid van de Awb en de mogelijkheid tot vergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het bezwaar niet als zodanig was behandeld en verklaarde het beroep ongegrond. De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een causaal verband bestond tussen het onrechtmatige besluit en zijn immateriële schade. Ook was de kwalificatie van misbruik van recht niet zodanig grievend dat vergoeding gerechtvaardigd was. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het schadevergoedingsbesluit wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten.