ECLI:NL:RVS:2019:4266
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ambtshalve registratie vertrek naar Groot-Brittannië in Basisregistratie Personen
Appellante was ingeschreven op een adres in Zoetermeer, maar het college registreerde haar ambtshalve als vertrokken naar Groot-Brittannië vanwege het uitblijven van reactie op meerdere brieven en een huisbezoek waaruit bleek dat het huis onbewoond was. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en bevestigde de ambtshalve wijziging van de registratie.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf hanteerde en dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat zij gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zou verblijven. Ook wees zij op een te korte reactietermijn en haar herinschrijving in de BRP per 20 juli 2018.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht het toetsingskader van artikel 2.21 Wet BRP had toegepast en dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht. Het feit dat appellante niet reageerde en het huis onbewoond was, rechtvaardigde de ambtshalve registratie. De herinschrijving en feitelijke verblijfsduur achteraf zijn niet relevant voor de beoordeling op het moment van het besluit.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve registratie als vertrokken naar Groot-Brittannië bevestigd.