ECLI:NL:RVS:2019:4357
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.W.M. Bijloos
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens onjuiste grondslag binnentreden woning
Bij besluit van 14 juni 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hechtte de maatregel van bewaring op 25 juni 2019 op. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 niet als grondslag kon dienen voor het binnentreden in de woning van de vreemdeling zonder diens toestemming. De Afdeling stelde dat het binnentreden met het oog op overdracht ook het staande houden en de inbewaringstelling omvat.
Inhoudelijk betwistte de vreemdeling de gronden voor de bewaring, maar de Afdeling vond dat de staatssecretaris terecht aannam dat de vreemdeling enige tijd met onbekende bestemming was vertrokken en niet meewerkte aan zijn overdracht. Ook de belangenafweging, ondanks schending van de Awbi, viel in het voordeel van de staatssecretaris uit. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep uiteindelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar het beroep van de staatssecretaris wordt uiteindelijk ongegrond verklaard.