ECLI:NL:RVS:2018:914
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatig binnentreden
De vreemdeling werd op 4 januari 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State constateerde dat het binnentreden in de woning van de vreemdeling zonder diens toestemming plaatsvond, terwijl hij als Dublinclaimant rechtmatig verblijf had. De wettelijke grondslag voor het binnentreden ontbrak, omdat de voorwaarden van artikel 53 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet waren vervuld. De verbalisanten hadden zich niet voorafgaand aan het binnentreden gelegaliseerd en geen toestemming gevraagd, zoals vereist volgens de Algemene wet op het binnentreden.
Hoewel de rechtbank een belangenafweging had gemaakt, oordeelde de Raad van State dat deze ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling uitviel. De staatssecretaris had onvoldoende belangen gesteld om het onrechtmatig binnentreden te rechtvaardigen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.