ECLI:NL:RVS:2013:BZ2337
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatige staandehouding zonder redelijk vermoeden illegaal verblijf
De vreemdeling werd op 17 november 2012 aangehouden wegens het niet kunnen tonen van een geldig legitimatiebewijs, na een staandehouding waarbij hij werd aangesproken terwijl hij van zijn fiets stapte en iets zocht in zijn fietstassen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond zoals vereist in artikel 50, lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad overwoog dat de omstandigheden waaronder de vreemdeling werd staandegehouden onvoldoende waren voor een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hierdoor was de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig, tenzij de belangen van de bewaring in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. De staatssecretaris had onvoldoende zwaarwegende belangen gesteld om de onrechtmatigheid te rechtvaardigen, zoals een spoedige uitzetting of onaanvaardbaar risico op niet-realisatie van de uitzetting.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en bewaring, en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.