ECLI:NL:RVS:2019:4414
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen spoedeisende bestuursdwang voor onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 29 oktober 2018 schriftelijk bevestigd dat op 15 oktober 2018 spoedeisende bestuursdwang is toegepast tegen appellant wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen. Hierbij werd een bedrag van €126,00 aan kosten op appellant verhaald.
Appellant stelde dat het college de beslistermijn voor het bezwaarbesluit had overschreden en dat hij de afvaldoos niet op straat had achtergelaten, maar in een bouwcontainer had geplaatst waaruit de doos mogelijk op straat is geraakt. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en appellant stelde beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de overschrijding van de beslistermijn geen vernietiging van het besluit rechtvaardigt omdat het geen fatale termijn betreft. Verder is op grond van vaste rechtspraak het bewijsvermoeden dat degene van wie de afvalstoffen kunnen worden herleid de overtreder is, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellant slaagt er niet in dit te doen, en bovendien is het plaatsen van afval in een niet-aangewezen inzamelvoorziening eveneens een overtreding. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat het college de bestuursdwangkosten terecht op appellant heeft verhaald.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en de bestuursdwangkosten worden op appellant verhaald.