ECLI:NL:RVS:2019:69

Raad van State

Datum uitspraak
16 januari 2019
Publicatiedatum
15 januari 2019
Zaaknummer
201805753/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning ondanks gezinsleven met kleinzoon op grond van artikel 8 EVRM

De vreemdeling, van Albanese nationaliteit, had sinds 2014 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. Deze vergunning werd op 17 juli 2017 ingetrokken wegens beëindiging van de relatie met haar partner. De vreemdeling stelde dat haar gezinsleven met haar in Nederland geboren kleinzoon op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsrecht rechtvaardigt.

De staatssecretaris erkende het beschermwaardige gezinsleven tussen de vreemdeling en haar kleinzoon, maar vond dat het Nederlandse staatsbelang zwaarder woog. De vreemdeling woonde 55 jaar in Albanië en verbleef pas kort in Nederland, waar zij samenwoont met haar dochter, schoonzoon en kleinzoon. Zij is niet de enige verzorger en heeft geen economische banden met Nederland. Tevens heeft zij geen objectieve belemmeringen aannemelijk gemaakt om het gezinsleven vanuit Albanië voort te zetten.

De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de inbreuk op haar gezinsleven gerechtvaardigd is, en dat zij een bijdrage levert aan de opvoeding zonder een beroep op publieke middelen. Ook stelde zij dat terugkeer naar Albanië moeilijk is vanwege het ontbreken van een sociaal netwerk en de psychische gesteldheid van haar zoon.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris de belangenafweging terecht in haar nadeel heeft laten uitvallen, mede gelet op jurisprudentie van het EHRM en eerdere uitspraken van de Afdeling. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in Albanië kan functioneren of dat haar hulp onmisbaar is voor de verzorging van het kind. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201805753/2/V1.
Datum uitspraak: 16 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[de vreemdeling],
appellante,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 8 maart 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Jansen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 21 juni 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft tegen het bestreden besluit bij de rechtbank beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.
Bij uitspraak van 26 oktober 2018 heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Overwegingen
Inleiding
1.    De vreemdeling, van Albanese nationaliteit, was sinds 18 juni 2014 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking 'verblijf als familie- of gezinslid' bij haar toenmalige partner. De staatssecretaris heeft de vergunning, wegens de beëindiging van de relatie, bij besluit van 17 juli 2017 ingetrokken. Die intrekking is niet in geschil. De vraag ligt voor of de vreemdeling wegens het gestelde gezinsleven met haar kleinzoon, op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een verblijfsrecht toekomt.
Bestreden besluit
2.    De staatssecretaris heeft, anders dan de vreemdeling lijkt te betogen, in het bestreden besluit aangenomen dat tussen de vreemdeling en haar kleinzoon beschermingswaardig gezinsleven bestaat.
2.1.    De staatssecretaris heeft zich echter op het standpunt gesteld dat, ondanks dit gezinsleven, het belang van de Nederlandse staat in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft bij deze afweging betrokken, dat de vreemdeling 55 jaar in Albanië heeft gewoond en pas in 2014 naar Nederland is gekomen, waar zij sinds ongeveer anderhalf jaar samenwoont met haar dochter, schoonzoon en kleinzoon. Haar kleinzoon is in 2016, in Nederland, geboren, waardoor ook het gestelde gezinsleven pas kort bestaat. Bovendien is de vreemdeling niet de enige verzorger van haar kleinzoon, nu zij slechts ondersteuning biedt in de opvoeding en de moeder van het kind altijd thuis is. Verder heeft de vreemdeling geen economische banden met Nederland en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven vanuit Albanië voort te zetten, aldus de staatssecretaris.
Beroepsgrond
3.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de inbreuk op haar gezinsleven, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, gerechtvaardigd is. Het feit dat zij haar kleinzoon verzorgt, stelt haar schoonzoon bovendien in staat om deel te nemen aan het economisch verkeer zonder een beroep te doen op de kinderopvangtoeslag. Ook is zij nooit in aanraking geweest met justitie en komt zij niet ten laste van de publieke middelen. Terugkeer naar Albanië levert 'a certain degree of hardship' op, nu haar kleinzoon daar nog nooit is geweest en zij niet op haar zoon wegens diens psychische gesteldheid of een ander netwerk kan terugvallen, aldus de vreemdeling.
Beoordeling
3.1.    Niet in geschil is dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en niet ten laste komt van de publieke middelen. Nu zij echter veel langer in Albanië heeft gewoond dan in Nederland, zij de gestelde praktische belemmeringen niet aannemelijk heeft gemaakt en haar verblijfssituatie bij aanvang van het gezinsleven met haar kleinzoon onzeker was, heeft de staatssecretaris de belangenafweging, in het licht van het arrest van het EHRM van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, § 39, en de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680, onder 4 en 5, niet ten onrechte in haar nadeel laten uitvallen. Temeer omdat de vreemdeling ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ouders het kind zonder haar hulp niet zouden kunnen verzorgen en dat zij niet in staat zou zijn vanuit Albanië regelmatig contact met haar kleinzoon te onderhouden. Verder heeft de vreemdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat zij zich in Albanië, al dan niet met behulp van instanties, niet staande zal weten te houden.
De beroepsgrond faalt.
Slotsom
4.    Het beroep is kennelijk ongegrond.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019
282-886.