ECLI:NL:RVS:2019:703
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde ondanks bijzondere omstandigheden
De staatssecretaris weigerde het Nederlanderschap aan appellant op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een onherroepelijke veroordeling tot een werkstraf wegens mishandeling.
Appellant voerde aan dat er bijzondere omstandigheden waren, zoals zijn minderjarigheid ten tijde van het misdrijf, een laag recidiverisico volgens de Raad voor de Kinderbescherming, zijn huidige werk en opleiding, en het ontbreken van nieuw strafbaar gedrag. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat zij afwijken van het beleid rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak. Zij overwoog dat de minderjarigheid en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming reeds door de kinderrechter zijn betrokken bij de veroordeling en dat de positieve gedragsveranderingen het bestaan van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde niet wegnemen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van het Nederlanderschap wegens ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.