ECLI:NL:RBOVE:2021:4431
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens lopende proeftijd bij voorwaardelijk sepot
Eiser verzocht op 10 december 2019 om naturalisatie, maar dit verzoek werd op 19 november 2020 afgewezen omdat hij zich in een proeftijd bevond die verbonden is aan een voorwaardelijk sepot door het Openbaar Ministerie wegens een strafzaak onder artikel 300, eerste lid, Sr. De proeftijd loopt tot 30 oktober 2022. Eiser voerde aan dat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt, dat de proeftijd niet gevolgd hoeft te worden en dat bijzondere omstandigheden zoals een brief van de burgemeester en zijn onbesproken verleden tot toewijzing zouden moeten leiden.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing op goede gronden is gebaseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bevestigd dat een proeftijd bij een voorwaardelijk sepot mag worden meegewogen als ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde. De rechtbank benadrukt dat de bestuursrechter niet bevoegd is het sepotbesluit van het OM te toetsen. Ook acht de rechtbank de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende om af te wijken van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap.
Verder was het niet onrechtmatig dat eiser niet is gehoord in de bezwaarfase, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser kan na afloop van de proeftijd opnieuw een verzoek indienen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard vanwege de lopende proeftijd bij het voorwaardelijk sepot.