ECLI:NL:RVS:2019:756
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring na asielaanvraag
De vreemdeling werd op 17 juli 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 21 juli 2018 diende hij een asielaanvraag in, waarna de staatssecretaris de bewaring van 17 juli introk en hem dezelfde dag opnieuw in bewaring stelde op basis van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring van 17 juli ongegrond en tegen die van 21 juli gegrond. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep probeerde in te stellen, wat niet ontvankelijk werd verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de bewaring van 21 juli op een onjuiste grondslag berustte. De Afdeling vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het de bewaring van 21 juli betreft en toetste het besluit opnieuw. De vreemdeling voerde diverse bezwaren aan, waaronder de onrechtmatigheid van de eerste bewaring, het ontbreken van een nieuwe belangenafweging en de medische zorg in detentie, maar deze gronden werden verworpen.
Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het beroep van de vreemdeling ongegrond, zonder proceskostenveroordeling. De bewaring van 21 juli 2018 werd daarmee bevestigd als rechtmatig.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk; het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.