ECLI:NL:RVS:2019:776
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling tegemoetkoming in planschade door vrijstelling bestemmingsplannen voor waterberging Vierde Bergboezem
Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees op 30 januari 2013 vijf verzoeken om tegemoetkoming in planschade af, voortvloeiend uit een vrijstelling voor de aanleg van waterkerende kaden en waterberging in het kader van het Vierde Bergboezem-project. Appellanten, eigenaren van percelen in het gebied, stelden dat zij schade leden door de planologische wijziging. Na bezwaar verklaarde het college de bezwaren ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in 2017 dat enkele appellanten recht hadden op een tegemoetkoming, maar handhaafde de rechtsgevolgen voor anderen.
In hoger beroep stelde het college incidenteel beroep in tegen de rechtbankuitspraak, terwijl appellanten het hoger beroep voortzetten. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank terecht twijfelde aan het advies van Ten Have, dat geen planschade aannam, en de deskundige StAB bevestigde dat er sprake was van planschade. De Afdeling oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte aannam dat sommige appellanten de planologische wijziging op grond van de gemeentelijke Visie Haagse Beemden Buiten konden voorzien, omdat deze visie niet voldoende openbaar was gemaakt.
Verder stelde de Afdeling vast dat het door de StAB gehanteerde normaal maatschappelijk risico van 5% te hoog was voor directe planschade. De Afdeling bepaalde een lager percentage van 3% passend gelet op de aard van de schade en de ruimtelijke context. Op basis van deze bevindingen vernietigde de Afdeling het deel van het vonnis dat de rechtsgevolgen in stand hield voor bepaalde appellanten en stelde hogere vergoedingen vast, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bepaalt dat het college aan appellanten een hogere tegemoetkoming in planschade moet betalen en vernietigt het deel van het vonnis dat de rechtsgevolgen voor sommige appellanten in stand hield.