Uitspraak
Datum uitspraak: 27 maart 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor extra uren rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken van een bijzondere rechtsvraag of een juridisch relevant feitencomplex dat een overschrijding van de forfaitaire uren rechtvaardigt.
De gemachtigde van appellant arriveerde vijf minuten na aanvang van de zitting bij de rechtbank, waarna de behandeling werd gesloten zonder een nieuwe zitting te plannen. De Afdeling oordeelt dat dit geen schending van fundamentele rechtsbeginselen oplevert en dat appellant zijn zaak ten volle ter zitting bij de Afdeling heeft kunnen bepleiten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke feiten (valsheid in geschrifte en faillissementsfraude) niet uitzonderlijk of complex zijn en dat de omvang van het dossier en de inzet van het opsporingsapparaat onvoldoende aanwijzingen geven voor feitelijke complexiteit. Juridische complexiteit werd eveneens niet vastgesteld, aangezien de aangevoerde rechtsvragen niet bijzonder of zelden voorkomend zijn.
De Afdeling bevestigt dat het beleid van de raad om extra uren toe te kennen binnen de forfaitaire regeling niet onredelijk is en wijst het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van het verzoek om extra uren rechtsbijstand wegens het ontbreken van feitelijke en juridische complexiteit.