ECLI:NL:RVS:2019:951
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.E.M. Polak
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering alleenstaande ouderkop kindgebonden budget ondanks feitelijke scheiding
Appellante, die sinds 2012 feitelijk gescheiden leeft van haar echtgenoot maar formeel gehuwd blijft, verzocht om toekenning van de alleenstaande ouderkop (ALO-kop) in het kindgebonden budget over 2016. De Belastingdienst/Toeslagen weigerde dit omdat zij formeel een partner heeft. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat de Belastingdienst opnieuw moest beslissen.
In hoger beroep betoogde appellante dat de weigering in strijd is met artikel 8 (recht op privé- en gezinsleven) en artikel 14 (verbod discriminatie) van het EVRM, alsmede met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (eigendom). Zij stelde dat zij feitelijk alleenstaande ouder is en dat de wetgever niet beoogde alleenstaande ouders de ALO-kop te onthouden.
De Raad van State oordeelde dat het wettelijke partnerbegrip objectief en eenduidig moet worden toegepast en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie vergelijkbaar is met die van ongehuwde alleenstaande ouders. Het feit dat zij formeel gehuwd is, betekent dat haar echtgenoot als partner wordt aangemerkt en dat de ALO-kop terecht is geweigerd. De Raad van State achtte de weigering niet in strijd met de genoemde EVRM-bepalingen en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de alleenstaande ouderkop wordt bevestigd.