ECLI:NL:RVS:2018:1645
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kindgebonden budget wegens niet-rechtmatig verblijf partner
Appellant heeft voor 2016 kindgebonden budget aangevraagd, maar de Belastingdienst/Toeslagen wees dit af omdat haar partner niet rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling overweegt dat de wettelijke regeling, artikel 9, tweede lid, van de Awir, een onderscheid maakt tussen personen met een rechtmatig verblijf en degenen zonder, en dat dit onderscheid een legitiem doel dient: voorkomen dat niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen profiteren van tegemoetkomingen. Dit onderscheid is proportioneel en niet in strijd met artikel 14 in Pro verbinding met artikel 8 EVRM Pro.
Verder oordeelt de Afdeling dat het kindgebonden budget niet bedoeld is als waarborg voor het bestaansminimum, maar als aanvullende ondersteuning voor opvoedingskosten. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het niet-toekennen van het budget het recht op onderwijs van de kinderen frustreert. Tenslotte vormt de weigering geen onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van appellant zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Afdeling concludeert dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir in de weg staan en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kindgebonden budget bevestigd.