ECLI:NL:RVS:2020:1056
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aansprakelijkheid en vergoeding zaakschade door mijnbouwactiviteiten nabij woningen
In deze zaak staat centraal of appellanten aanspraak kunnen maken op schadevergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade op grond van artikel 137 van Pro de Mijnbouwwet. De woningen van appellanten liggen in een concessiegebied waar mijnbouwactiviteiten hebben plaatsgevonden, en zij stellen schade te hebben geleden door bodembeweging veroorzaakt door een disfunctionerende afsluiting van een verticale boring.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister ten onrechte verjaring had aangenomen en dat bepaalde schadeposten, zoals waardevermindering en kosten van jaarlijkse controle, onder zaakschade vallen en vergoed moeten worden. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en betoogde onder meer dat artikel 137 Mijnbouwwet Pro niet van toepassing is, de aanspraken verjaard zijn, en dat alleen herstelkosten vergoed kunnen worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat artikel 137 Mijnbouwwet Pro van toepassing is, dat aanspraken niet verjaard zijn omdat het disfunctioneren van de boring als voortdurende schadeoorzaak geldt, en dat waardevermindering die verband houdt met de schade en het risico op nieuwe schade als zaakschade moet worden beschouwd. Kosten van periodieke controle worden eveneens als schadebeperkend en vergoedbaar aangemerkt. Kosten van toekomstig herstel en gederfd woongenot worden niet vergoed. De Afdeling vernietigt het besluit van de minister voor zover het toekomstige herstelkosten betreft en bevestigt het besluit voor de overige onderdelen, en beveelt nieuwe besluiten te nemen over waardevermindering.
Uitkomst: De minister moet nieuwe besluiten nemen over vergoeding van waardevermindering en kosten van periodieke controle, terwijl toekomstige herstelkosten niet worden vergoed.