ECLI:NL:RVS:2020:1107
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek zeecontainers zonder vergunning in Den Haag
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om handhavend op te treden tegen acht zeecontainers die zonder omgevingsvergunning waren gestapeld in het Willem Dreespark, vanwege een vermeend gevaar voor burgers. Het college voerde na inspectie door een toezichthouder aan dat de situatie niet gevaarlijk was en wees het verzoek af. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk omdat zeven containers waren verwijderd, waardoor het belang van appellant verviel.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. Hij stelde dat het gevaar nog bestond en dat het college onrechtmatig had gehandeld. De Raad van State oordeelde dat een bestuursorgaan alleen inhoudelijk hoeft te beslissen als er een actueel en reëel belang is. Omdat het gevaar ten tijde van het bezwaar niet meer bestond en appellant erkende dat het hem vooral ging om een oordeel over de rechtmatigheid van het eerdere besluit, was er geen actueel belang.
Ook trok appellant zijn grond over de wettelijke rente in. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.