ECLI:NL:RVS:2020:1170
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- E.A. Minderhoud
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Vaststelling schadevergoeding wegens vertraagde subsidieverlening na onrechtmatige afwijzing Veni-subsidie
Appellant, universitair hoofddocent, diende in 2012 een aanvraag in voor een Veni-subsidie die door het bestuur werd afgewezen. Na meerdere procedures stelde de rechtbank in 2014 vast dat het besluit onrechtmatig was en kende de subsidie toe. Het bestuur weigerde echter vergoeding van meerkosten die appellant door de vertraging had gemaakt.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan causaal verband tussen het onrechtmatig besluit en de schade. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het bestuur het risico van bewijsverlies moest dragen omdat het interview met andere aanvragers niet correct was vastgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestuur niet aannemelijk kon maken dat het de aanvraag rechtmatig had kunnen afwijzen en dat appellant extra kosten had geleden door de vertraging. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en een schadevergoeding van €25.000 toegekend. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellant toegewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bepaalt dat appellant een schadevergoeding van €25.000 ontvangt wegens vertraging in subsidieverlening na onrechtmatige afwijzing.