Uitspraak
Datum uitspraak: 6 mei 2020
Raad van State
Appellant sub 1 bouwde in 2015 een garage op zijn perceel in Alphen, zonder omgevingsvergunning, op grond met de bestemming 'Bos - 1', wat in strijd is met het bestemmingsplan. Het college legde bestuursdwang op om de garage te verwijderen, maar herzag dit besluit vanwege gewekte gerechtvaardigde verwachtingen bij appellant sub 1 dat geen vergunning nodig was.
Appellant sub 2, buurman, verzocht handhaving van het bestemmingsplan. De rechtbank vernietigde het herroepen besluit van het college en oordeelde dat het college onvoldoende gewicht had toegekend aan het algemeen belang en de belangen van appellant sub 2. De rechtbank gaf het college opdracht een nieuw besluit te nemen.
De Raad van State bevestigt dat appellant sub 1 gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de mededeling van een ambtenaar dat geen vergunning nodig was. Echter, het algemeen belang en het belang van appellant sub 2 bij handhaving wegen zwaarder dan het belang van appellant sub 1 bij behoud van de garage.
De Afdeling stelt dat het college bij het nieuwe besluit ook moet beslissen over een eventuele schadevergoeding aan appellant sub 1 wegens het handhavend optreden. Het hoger beroep van appellant sub 1 wordt gegrond verklaard, dat van appellant sub 2 ongegrond. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant sub 1.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 1 wordt gegrond verklaard, dat van appellant sub 2 ongegrond, en het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van belangenafweging en schadevergoeding.