ECLI:NL:RVS:2020:1198
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding in MVV-aanvraag
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling en referent tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroep te laat was ingediend. De staatssecretaris had aanvankelijk de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen, maar verklaarde later het bezwaar gegrond en gaf aan geen bezwaar meer te hebben tegen het verlenen van de mvv, met een verplichting tot het afstaan van biometrische gegevens.
De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend omdat de termijn was begonnen bij het besluit van 15 december 2014. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat het besluit van 15 december 2014 onvolledig was en pas op 14 januari 2015 een nieuw besluit is genomen dat samen met het eerdere besluit het in heroverweging genomen besluit vormt. Hierdoor begon de beroepstermijn pas op 15 januari 2015, en was het beroep van 21 januari 2015 tijdig.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en behandelt het beroep inhoudelijk. De beroepsgronden met betrekking tot het afnemen en verwerken van biometrische gegevens worden ongegrond verklaard, mede gelet op eerdere uitspraken. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor het niet-ontvankelijkheidsbesluit en inhoudelijk ongegrond verklaard.