ECLI:NL:RVS:2020:1211
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van rechtmatigheid afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende geloofwaardigheid
De vreemdeling uit Armenië verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 4 augustus 2017 werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een hernieuwde beoordeling, waarbij zij onder meer oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom tegenstrijdigheden in de verklaringen van de vreemdeling aan hem werden toegerekend, mede gelet op psychische klachten.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de vreemdeling had gevormd en dat het aan de vreemdeling was om aannemelijk te maken dat hij niet in staat was om consistent te verklaren, hetgeen niet was gebeurd. Ook werd bevestigd dat de medische stukken wel waren betrokken bij het besluit en dat het BMA-advies juist was toegepast.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, maar wees het beroep van de vreemdeling af. Het besluit van 4 augustus 2017 bleef daarmee gehandhaafd. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft gehandhaafd.