ECLI:NL:RVS:2020:1340
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens waardevermindering woning door aanleg A74 en aanpassing A73-Zuid
Appellant, eigenaar van een woning nabij de A73-Zuid te Venlo, verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding op grond van de Tracéwet wegens waardevermindering van zijn woning door de aanleg van de A74 en aanpassingen aan de A73-Zuid. De minister wees het verzoek aanvankelijk af, waarna meerdere besluiten en beroepsprocedures volgden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 25 juni 2015, waarna de minister een nieuw besluit nam dat opnieuw werd aangevochten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde in een tussenuitspraak vast dat het taxatierapport onjuiste gegevens bevatte over de tuin van de woning, waardoor het advies van de Schadecommissie Rijkswaterstaat onvoldoende deugdelijk was. De minister werd opgedragen een nieuw deskundigenadvies in te winnen. Op basis van het nieuwe advies concludeerde de deskundige dat de waardevermindering € 5.000 bedroeg, wat lager was dan de drempel van 2% van de woningwaarde (€ 6.400), zodat de schade voor rekening van appellant bleef.
Appellant voerde aan dat het taxatierapport ondeugdelijk was, onder meer omdat de waardevermindering in meerdere zaken steeds op € 5.000 werd gesteld ongeacht de verschillen in waarde en geluidbelasting. De Afdeling oordeelde echter dat het bestuursorgaan het taxatierapport in redelijkheid aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Daarnaast kende de Afdeling appellant een vergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De Afdeling verklaarde het beroep tegen het besluit van 12 maart 2018 gegrond en vernietigde dat besluit, maar verklaarde het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 ongegrond. De minister werd veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding, proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 12 maart 2018 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 ongegrond verklaard, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten.