Uitspraak
Datum uitspraak: 17 juni 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Appellant, een ijsverkoper met eerdere tijdelijke standplaatsvergunningen, vroeg om een vergunning voor vijf jaar voor standplaats 2 in het Rivierpark Nijmegen. Het college weigerde deze vergunning, omdat er slechts één vergunning voor ijsverkoop op die locatie werd toegestaan en een loting plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden en dat appellant gerechtvaardigde verwachtingen had op een vergunning voor bepaalde tijd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het college beperkte tot het verlenen van een vergunning zonder nadere afweging. De Raad stelt dat het college eerst moest onderzoeken of standplaats 2 aan appellant kon worden toegekend, of anders in overleg moest treden met de andere vergunninghouder. Het college had bovendien onterecht een voorschrift toegevoegd dat de vergunning persoonsgebonden en persoonlijk moest worden ingenomen, wat niet in het gemeentelijk beleid was vastgelegd.
Het college had het besluit van 5 april 2019 ingetrokken en een nieuwe vergunning verleend, maar ook deze bevatte het onjuiste persoonsgebonden voorschrift. De Raad vernietigt daarom beide besluiten en het besluit van 22 oktober 2019 dat bezwaren niet-ontvankelijk verklaarde. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
De uitspraak benadrukt het belang van het vertrouwensbeginsel bij vergunningverlening en de noodzaak van zorgvuldige belangenafweging en motivering door het bestuursorgaan. Ook wordt bevestigd dat het college niet zonder wettelijke grondslag aanvullende beperkingen aan vergunningen mag verbinden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de vergunningbesluiten en het besluit tot niet-ontvankelijkheid, bevestigt het vertrouwensbeginsel en veroordeelt het college tot proceskostenvergoeding.