ECLI:NL:RVS:2020:1789

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
27 juli 2020
Zaaknummer
201904552/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbDublinverordening (PB 2013, L 180)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 6 mei 2019 een besluit om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat nader onderzoek naar opvang in Italië noodzakelijk was, mede gelet op eerdere uitspraken en rapporten over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten.

De vreemdeling voerde aan dat hij in Italië geen adequate medische behandeling zou krijgen, maar de Afdeling stelde vast dat de overgelegde medische stukken dit niet aannemelijk maakten. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

201904552/1/V3.
Datum uitspraak: 29 juli 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 juni 2019 in zaak nr. NL19.10502 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 6 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.S. Nandoe, advocaat te Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De in de grief opgeworpen rechtsvraag over de opvang in Italië na overdracht krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) heeft de Afdeling bij uitspraak van 12 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2727, beantwoord. Over het AIDA-rapport "Country Report: Italy 2018 update" van 16 april 2019 heeft de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861, overwogen dat dit geen aanleiding geeft voor een ander oordeel over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan in de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131. De mogelijkheid dat opvang wordt geweigerd na eerder vertrek van Dublinclaimanten is daarbij ook betrokken. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris gehouden is in dit geval nader onderzoek te verrichten naar het recht op opvang bij terugkeer naar Italië.
2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.     De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat hij in Italië geen behandeling zal krijgen voor zijn medische en psychische klachten.
3.1.    Uit de door de vreemdeling overgelegde medische stukken blijkt niet dat hij momenteel medische hulp behoeft welke hij alleen in Nederland en aldus niet in Italië zou kunnen krijgen. Verder zijn er geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land zou zijn om de vreemdeling te behandelen. De staatssecretaris heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Italië niet voorhanden is en hij in Italië geen toegang heeft tot medische voorzieningen.
De beroepsgrond faalt.
4.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 juni 2019 in zaak nr. NL19.10502;
III.    verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2020
722.