ECLI:NL:RVS:2020:1814
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit burgemeester over handhaving woonoverlast verbouwingswerkzaamheden
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van de burgemeester van Leiden om geen handhavend op te treden tegen de verbouwingswerkzaamheden aan de woning van een derde, die volgens appellant ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaakten. Appellant had op grond van artikel 151d Gemeentewet een verzoek ingediend, dat door de burgemeester werd afgewezen. De rechtbank vernietigde eerdere besluiten van de burgemeester vanwege onvoldoende motivering en gebrekkig onderzoek.
De burgemeester nam vervolgens een nieuw besluit, dat eveneens werd vernietigd door de rechtbank. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de burgemeester het besluit van 23 september 2019 niet zorgvuldig heeft genomen, omdat geen objectief bewijs is verzameld waaruit ernstige en herhaaldelijke hinder blijkt. Desondanks oordeelt de Afdeling dat de burgemeester terecht niet heeft gehandhaafd, omdat niet is vastgesteld dat er sprake was van overtredingen.
Appellant verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit, maar slaagde hier niet in omdat hij geen concrete gegevens over geestelijk letsel heeft aangeleverd. De Afdeling wijst dit verzoek af. De procedure wordt finaal beslecht met vernietiging van het besluit, maar instandhouding van de rechtsgevolgen en afwijzing van het schadeverzoek.
Uitkomst: Het besluit van 23 september 2019 wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.