ECLI:NL:RVS:2020:1906
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toevoeging voor hoger beroep wegens kennelijk kansloze aanvraag
Op 18 maart 2020 vroeg appellant een toevoeging aan voor hoger beroep tegen een kort gedingvonnis waarin zijn verzoeken werden afgewezen. De raad voor rechtsbijstand wees deze aanvraag af omdat appellant geen toereikende gronden had aangevoerd die een kans van slagen boden. De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf.
Appellant stelde dat de raad slechts marginaal moet toetsen en niet de inhoudelijke slagingskans mag beoordelen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de raad terughoudend maar wel materieel mag toetsen of de aanvraag kennelijk kansloos is. Appellant heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd en de aanvraag is daarom kennelijk van elke grond ontbloot.
Verder voerde appellant aan dat de afwijzing in strijd is met artikel 6 en Pro 13 EVRM omdat hem het recht op een effectief rechtsmiddel wordt ontnomen. De Afdeling oordeelt dat het recht op toegang tot de rechter niet in essentie wordt aangetast en dat de beperking proportioneel en gerechtvaardigd is. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om toevoeging voor hoger beroep is terecht afgewezen wegens kennelijke kansloosheid.