ECLI:NL:RVS:2020:1956
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legesvrijstelling bij aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan, maar kon het legesbedrag niet betalen. De staatssecretaris weigerde de aanvraag in behandeling te nemen en wees het bezwaar af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd is om te bepalen wanneer leges verschuldigd zijn, maar dat legesheffing niet de uitoefening van internationaal beschermde rechten mag verhinderen. Voor sommige verblijfsvergunningen, zoals voor familie- of gezinsleden, is vrijstelling van leges mogelijk, maar niet voor zuiver nationaalrechtelijke vergunningen.
De staatssecretaris had echter nagelaten om in het individuele geval te beoordelen of de legesheffing in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Daarom moet hij een nieuw besluit nemen waarin deze beoordeling wordt gemaakt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit vernietigd; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met beoordeling van legesheffing in relatie tot internationaal recht.