ECLI:NL:RVS:2019:2736
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake legesheffing verblijfsvergunning met zelf afdoening
De staatssecretaris wees op 9 augustus 2017 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af en legde een legestarief van €1.003,00 op. De vreemdeling betwistte de hoogte van dit tarief en de motivering daarvan. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van 18 oktober 2017 vanwege ondeugdelijke motivering over de leges.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat hij in het verweerschrift alsnog een deugdelijke motivering had gegeven, onderbouwd met een kostprijsberekening en eerdere jurisprudentie. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering ontbrak en dat de nieuwe toelichting voldoende inzicht bood in de opbouw van het legestarief.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en besloot het beroep van de vreemdeling zelf ongegrond te verklaren. De vreemdeling had ook aangevoerd dat hij vanwege betalingsonmacht of privélevenbescherming ontheffing van leges zou moeten krijgen, maar dit werd afgewezen omdat de staatssecretaris de wettelijke legesheffing correct toepaste en er mogelijkheden tot individuele ontheffing zijn.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd openbaar gedaan op 12 augustus 2019 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.