Uitspraak
Datum uitspraak: 22 januari 2020
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde op 27 september 2017 een bestuurlijke boete van € 10.250,00 op aan [wederpartij] wegens het onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning door bedrijfsmatige exploitatie van een hennepkwekerij. [Wederpartij] had verklaard betrokken te zijn bij de kwekerij en wist dat dit strafbaar was. Na bezwaar handhaafde het college de boete, maar de rechtbank verlaagde deze op 18 februari 2019 naar € 6.000,00 vanwege de geringe financiële draagkracht van [wederpartij], die onder meer was gedetineerd en een bijstandsuitkering ontving.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat [wederpartij] onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, onder meer doordat hij geen bankafschriften of belastingaanslagen had overgelegd en onduidelijk was waar contante betalingen vandaan kwamen. Ook had hij geen duidelijkheid verschaft over het genoten voordeel uit de hennepkwekerij. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de boete onevenredig hoog was.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde de boete vast op € 10.000,00, conform de nieuwe Huisvestingsverordening 2019. Tevens werd het besluit van 16 maart 2018 vernietigd en het besluit van 27 september 2017 herroepen voor zover het de boete betrof. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.575,00 aan [wederpartij].
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 10.000,00 en het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard.