ECLI:NL:RVS:2019:1820
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor hennepkwekerij in woning ondanks beroep op matiging
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellant een bestuurlijke boete van €10.250 op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014 door drie kamers van zijn woning als hennepkwekerij te gebruiken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende inzicht gaf in het voordeel uit de hennepkwekerij en daardoor geen aanleiding was tot matiging van de boete. Appellant stelde in hoger beroep dat geen sprake was van bedrijfsmatige exploitatie en dat de boete te hoog was gezien zijn financiële situatie en het feit dat het zijn eerste overtreding betrof.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij altijd als bedrijfsmatige exploitatie wordt aangemerkt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen voordeel had genoten. De rechtbank mocht daarom aannemen dat appellant voordeel had behaald en dat matiging niet aan de orde was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €10.250 wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.