ECLI:NL:RVS:2020:2015
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 9 april 2018 wees de staatssecretaris een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit. De rechtbank bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van haar overwegingen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De vreemdelingen stelden dat zij in het kader van nareis bij referent, hun echtgenoot en biologische vader, verblijf beoogden. De staatssecretaris had geen aanvullend onderzoek aangeboden en hechtte geen waarde aan een door de vreemdelingen zelf geïnitieerd DNA-onderzoek, omdat dit was verricht door een niet-geaccrediteerd laboratorium en er geen officieel bewijs van identiteit was.
De rechtbank vond dat aanvullend onderzoek had moeten worden aangeboden, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de staatssecretaris terecht aannam dat de echtgenote niet in bewijsnood verkeerde en dat het ontbreken van accreditatie van het laboratorium het bewijs onvoldoende maakte.
De Afdeling verklaarde het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf blijft in stand.