ECLI:NL:RVS:2020:2133
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing urgentieverklaring wegens vermeende levensontwrichtende woonsituatie
De zaak betreft een appellant uit Syrië die sinds 2016 een driekamerwoning deelt met een andere statushouder en sinds 2018 spanningen ervaart door de aanwezigheid van de partner van zijn huisgenoot. Hij vroeg een urgentieverklaring aan wegens psychische problemen en geweldsincidenten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 en de Beleidsregel 5 strikte criteria stellen voor het verlenen van urgentieverklaringen, waaronder het vereiste van een levensontwrichtende situatie die leidt tot onvermogen tot zelfstandig functioneren. Hoewel de appellant psychische klachten heeft, zijn deze niet aantoonbaar veroorzaakt of verergerd door de woonsituatie. Ook ontbrak objectief bewijs voor geweld of ernstige bedreiging in de woning, aangezien de politie alleen melding maakte van een ruzie en er geen proces-verbaal of justitiële gegevens waren.
De Raad van State concludeerde dat het college terecht het advies van de GGD-arts volgde en de urgentieverklaring weigerde. Ook de toepassing van de hardheidsclausule was niet gerechtvaardigd, ondanks de suïcidepogingen van appellant, omdat niet is vastgesteld dat deze direct verband hielden met de woonsituatie. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.