ECLI:NL:RVS:2020:2150
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.C.W. Lange
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvolledige motivering bijzondere omstandigheden
Een vreemdeling uit India, die met zijn gezin in Nederland wil verblijven en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor arbeid in loondienst. De staatssecretaris wees deze aanvraag af vanwege eerder illegaal verblijf, conform artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde dat bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen op het beleid dat eerder illegaal verblijf tegenwerpt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het motiveringsgebrek in het besluit van de staatssecretaris passeerde omdat de staatssecretaris in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op de bijzondere omstandigheden was ingegaan. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het motiveringsgebrek had gepasseerd. De staatssecretaris had in zijn verweerschrift onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet afweek van het beleid, aangezien hij niet alle door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden had betrokken in zijn beoordeling. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het besluit van de staatssecretaris vernietigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.