ECLI:NL:RVS:2020:2254
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en verstrekking opvang aan vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 januari 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 24 augustus 2020 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek behandeld en overwogen dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat de staatssecretaris de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €525,00, moet vergoeden, welke kosten geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van de vreemdeling in het kader van het hoger beroep worden beschermd. De uitspraak is gedaan op 17 september 2020 door voorzieningenrechter A.J.C. de Moor-van Vugt in aanwezigheid van griffier O. van Loon.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.