ECLI:NL:RVS:2020:2270
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving uit Basisregistratie Personen wegens verblijf in het buitenland
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam schreef appellant per 3 september 2018 uit de Basisregistratie Personen (BRP) uit, aanvankelijk op grond van artikel 2.22 van de Wet BRP wegens het ontbreken van een bekend verblijfadres en later gewijzigd naar artikel 2.21, tweede lid, wegens verblijf in het buitenland. Appellant verbleef gedurende elf maanden op Curaçao en had geen aangifte van adreswijziging gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college terecht had gehandeld, waarbij de intentie van appellant om terug te keren niet relevant was. Appellant voerde aan dat het adresonderzoek onzorgvuldig was en dat het college ten onrechte was uitgegaan van een mutatierapport van de politie. De Raad van State oordeelde dat het college een gedegen onderzoek had verricht conform het geldende protocol, inclusief het benaderen van appellant en een huisbezoek.
Verder stelde appellant dat het college haar niet had mogen uitschrijven omdat zij de intentie had om terug te keren en bijzondere omstandigheden bestonden. De Raad van State bevestigde dat het college geen beleidsruimte heeft bij toepassing van artikel 2.21, tweede lid, en dat het verblijf van meer dan twee derde van het jaar in het buitenland voldoende grond is voor uitschrijving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitschrijving van appellant uit de BRP wegens verblijf in het buitenland.