ECLI:NL:RVS:2020:2280
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- H.J.M. Baldinger
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens illegale omzetting zelfstandige woonruimte in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 2 augustus 2018 een bestuurlijke boete van €6.000,- op aan [appellant A] en [appellant B], eigenaren van een woning die zonder vergunning was omgezet van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte. Na een melding en onderzoek constateerde de gemeente dat drie vrouwen elk een eigen slaapkamer hadden in de woning, wat duidt op kamergewijze verhuur.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de eigenaren tegen de boete ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het college bevoegd was en dat de eigenaren als overtreder konden worden aangemerkt. Het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak. De eigenaren voerden aan dat er geen sprake was van omzetting omdat de woning aan een stel was verhuurd dat zelf kamers onderverhuurde, en dat zij aan hun zorgplicht hadden voldaan.
De Afdeling oordeelde dat de feitelijke bewoning leidend is en dat de eigenaren onvoldoende hebben aangetoond niet te hebben geweten van de omzetting. Ook werd het betoog dat eerst een waarschuwing had moeten worden gegeven verworpen vanwege het lik-op-stukbeleid bij ernstige overtredingen in Amsterdam. De Afdeling concludeerde dat de boete terecht is opgelegd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €6.000,- wegens illegale omzetting van zelfstandige woonruimte wordt bevestigd.