ECLI:NL:RVS:2024:3864
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- N.H. van den Biggelaar
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens onrechtmatige omzetting woning in onzelfstandige woonruimte
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 4 december 2019 een bestuurlijke boete van €6.000 op aan appellant wegens omzetting van een woning in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. De rechtbank Amsterdam matigde de boete tot €5.350, maar verklaarde het beroep van appellant deels gegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Toezichthouders constateerden tijdens een huisbezoek op 4 juli 2019 dat vier personen in de woning stonden ingeschreven en dat er geen sprake was van hospitaverhuur volgens de beleidsregels, omdat de verhuurder niet het exclusieve gebruiksrecht had op minimaal 50% van het gebruiksoppervlak. Het college stelde dat appellant als eigenaar en verhuurder onvoldoende toezicht hield en daarom als overtreder kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het college onvoldoende heeft bewezen dat appellant de overtreding heeft aanvaard of niet de vereiste zorg heeft betracht om de overtreding te voorkomen. De feitelijke bewoning voldeed niet aan de hospitaregels, maar concrete aanwijzingen dat appellant dit wist of had moeten weten ontbraken. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2019 herroepen en het beroep tegen het besluit van 12 mei 2020 gegrond verklaard.
De Afdeling veroordeelde het college tevens tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Hiermee treedt de uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit en komt de boete te vervallen.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €6.000 wordt vernietigd omdat appellant niet als overtreder kan worden aangemerkt.