Uitspraak
Datum uitspraak: 28 oktober 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Op 18 april 2013 raakte appellant betrokken bij een steekincident waarbij hij door de broer van een betrokkene meerdere malen met een mes werd gestoken. De broer is hiervoor onherroepelijk veroordeeld voor poging tot doodslag. Appellant was aanvankelijk veroordeeld wegens poging tot afdreiging, maar in hoger beroep vrijgesproken.
Appellant diende meerdere aanvragen in voor een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven, die aanvankelijk werden afgewezen. In 2018 kende de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) een uitkering toe van €1.250,00 na toepassing van een korting van 50% wegens eigen aandeel van appellant. Appellant betwistte de hoogte van de uitkering en de korting.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het fysieke letsel van appellant in letselcategorie 2 valt, maar dat het psychisch letsel ernstiger is en in letselcategorie 3 past. De CSG had de korting wegens eigen aandeel onvoldoende gemotiveerd. Gezien het beperkte eigen aandeel van appellant acht de Afdeling een korting van 25% passend. De uitkering wordt vastgesteld op €3.750,00. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De uitkering uit het schadefonds wordt vastgesteld op €3.750,00 met een korting van 25% wegens eigen aandeel.