ECLI:NL:RVS:2020:2825
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde bevestigd
Appellant verzocht om het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd op 19 augustus 2013 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat op 18 april 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 19 maart 2020 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bij mondelinge uitspraak van 26 november 2020 het oordeel van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht het Nederlanderschap weigerde vanwege de openstaande strafzaken tegen appellant en een lopende proeftijd wegens een ander misdrijf. De grond over mogelijke staatloosheid werd buiten beschouwing gelaten omdat appellant deze te laat had aangevoerd en de staatssecretaris niet verplicht was ambtshalve bijzondere omstandigheden te onderzoeken.
Verder werd bevestigd dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is op de verkrijging van het Nederlanderschap. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden en het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om Nederlanderschap blijft afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde.