ECLI:NL:RVS:2016:2321
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens gevaar voor openbare orde
Appellant verzocht om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees dit af op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, vanwege ernstige vermoedens dat appellant een gevaar voor de openbare orde vormt. Dit was gebaseerd op een openstaande strafzaak wegens een misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan het feit dat hij inmiddels onherroepelijk was veroordeeld voor een ander misdrijf en dat het strafrechtelijk onderzoek tegen hem niet langer gold voor het misdrijf waarop de afwijzing was gebaseerd. De Afdeling oordeelde echter dat het beleid zoals neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de RWN leidend is en dat op het peilmoment de verdenking bestond, waardoor het verzoek terecht werd afgewezen.
Verder stelde appellant dat het Unierechtelijk begrip van openbare orde van toepassing zou zijn, maar de Afdeling bevestigde dat dit niet geldt voor personen zonder EU-nationaliteit. Ook het betoog dat de rechtbank het geschil niet finaal had beslecht faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie bevestigd.